1 - Schiemanswerk De volgende knopen en steken kennen en op verzoek kunnen leggen: achtknoop, twee halve steken waarvan de eerste slippend, paalsteek, reefsteek (= platte knoop), het beleggen op klamp, nagel of kikker.  Tevens moet een tros kunnen worden opgeschoten. 2 - Zeiltermen Kunnen aangeven wat bedoeld wordt met de volgende termen: hoger wal, lager wal, bakboord, stuurboord, hoge- en lage zijde, loef- en lijzijde, in de wind, aan de wind, halve wind, ruime wind, voor de wind, oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen, kruisrak, killen van het zeil. 3 - Onderdelen Op eigen boot en tuigage in de praktijk en op een tekening minstens 15 onderdelen bij de juiste naam kunnen noemen (naar keuze van de kandidaat). Op de tekening moeten duidelijk minstens 20 verschillende onderdelen voorkomen. 4 - Veiligheid Kunnen aangeven waarom het belangrijk is om bij de omgeslagen boot te blijven. En tevens de eisen kennen die gesteld moeten worden aan een reddingvest. 5 - Regelementen De volgende regels uit het Binnenvaartpolitiereglement kunnen toepassen: 1.01 Lid A 3 Groot Schip 1.01 Lid A 4 Klein Schip: alleen de bepaling over de lengte 1.04 Voorzorgsmaatregelen 1.05 Afwijking Reglement 6.04 Lid 2 Tegengestelde koersen: stuurboordwal 6.04 Lid 3 Tegengestelde koersen: klein schip verleent voorrang aan groot indien geen stuurboordwal 6.17 Lid 2 Kruisende koersen: stuurboordwal 6.17 Lid 3 Kruisende koersen: klein schip verleent voorrang aan groot indien geen stuurboordwal 6.17 Lid 6 Kruisende koersen: kleine zeilschepen onderling 6.17 Lid 9 Kruisende koersen: zeil – spier – motor 6 - Krachten op het schip en hun gevolgen Kunnen aangeven wat de effecten zijn van de fok en het grootzeil op het sturen van het schip. Ook aan kunnen geven wat er gebeurt bij een onjuiste zeilstand. DOWNLOAD DEZE HANDLEIDING IN PDF © Roald van den Akker & Michael Verdoold, afbeeldingen van katwijksezeeverkenners.nl